Splendore d’Italia
Italiaanse Maestros, Hollandse gasten
waarin Huygens' journael fragementen

Johannette Zomer sopraan
Fred Jacobs theorbe
Peter de Groot declamatie
PROGRAMMA
Constantijn Huygens Aubade
Constantijn Huygens Entree in Italië
uit: Journaal van de reis naar Venetië (1620) declamatie
Johann Hieronymus Kapsberger Cinta di rose
Orazio Michi Su l’oriente
Alessandro Piccinini La Romanesca
Johann Hieronymus Kapsberger Gia risi del mio mal
Pieter Corneliszoon Hooft Welkom door Vrouwe Italia
uit: de rijmbrief aan de rederijkerskamer
‘ In Liefd’ bloeyende’ (1600) declamatie
Stefano Landi Non si scherzi d’amore
Leggiadra rosa
Johann Hieronymus Kapsberger Toccata II theorbe solo
Domenico Mazzocchi Lamento di Didone
Constantijn Huygens Een diner te Bergamo
uit: Journaal van de reis naar Venetië, declamatie
Johann Hieronymus Kapsberger Dove mi lasci
Canzone I theorbe solo
Luigi Rossi Or che la notte del silenzio amica
Pauze
Domenico Mazzocchi Fin dal monte Sion
Voi, voi rubaste il core
Constantijn Huygens De Academia Filharmonica van Verona
uit: Journaal van de reis naar Venetië, declamatie
Sigismundo d’India Piangono al pianger mio
Johann Hieronymus Kapsberger Toccata III theorbe solo
Luigi Rossi Disperati che aspetti piu
Constantijn Huygens Een aanslag in Padua en de vesper in Venetië
Uit: Journaal van de reis naar Venetië, declamatie
Claudio Monteverdi Laudate Dominum
Pieter Corneliszoon Hooft Vergelijking van Rome met Hollandt
uit: de rijmbrief aan de rederijkerskamer
‘In Liefd’ bloeyende, declamatie
Constantijn Huygens Morte dolce
Con la candide man’
Riposta della fenestra
Toelichting bij de muziek door Fred Jacobs
Tijdens het pontificaat van Urbanus VIII (1623-1644) schitterden de kunsten in Rome als nooit tevoren. In de geest van de contrareformatie dienden zij als propaganda-instrumenten van de pauselijke macht. Hiervan getuigen zowel de architectuur van Bernini en Borromini, als de musiche van Mazzocchi en Rossi die klonken in de privé-appartementen van de kardinalen en in de accademie, waar de Romeinse elite bijeenkwam om te luisteren naar muziek en poëzie. Vaak lieten de teksten bij deze muziek hun wereldlijke of geestelijke intentie bewust vaag. Het ging er om de kracht van de woorden en het affect ervan uit te drukken en daarbij een zo rijk mogelijk harmonische ondersteuning te gebruiken. Componisten als Landi en Michi zongen en begeleidden zichzelf. De instrumenten die daarvoor het meest geschikt geacht werden, waren de theorbe en de harp: zij konden de stem bij alle dynamische wendingen blijven volgen. Mazzocchi gaf in zijn werken zelfs indicaties voor veranderingen in dynamiek en tempo. De begeleiding gaf hij soms een onafhankelijke rol ter ondersteuning van de tekst. Bijvoorbeeld in ‘spoglie….’ volgt de theorbe de tekst “passerà l’ombra mia la ripa avara” letterlijk als een schaduw.
De belangrijkste theorbe-virtuoos in Rome was Johann Hieronymus Kapsberger, il Tedesco della Tiorba. Naast solowerken voor luit en theorbe publiceerde hij o.a. bundels motetten, villanellen en ‘arie’, waarvan een aantal met volledig uitgeschreven begeleiding in tabulatuur, zoals het hier opgenomen ‘Gia risi…’.
Hoewel vrouwen in het 17e-eeuwse Rome niet in het openbaar konden optreden, boden de talrijke privé-academies aan vrouwelijke virtuosi de gelegenheid te schitteren en naam te maken. De Fransman André Maugars, die in zijn “Réponse faite à un curieux sur le sentiment de la musique d’Italie” een kleurrijk beeld geeft van het muzikale leven in Rome rond 1640, had op die manier kennisgemaakt met de beroemde sopraan Leonora Baroni. Hij beschreef haar als “een van de wereldwonderen” en ging uitgebreid in op de uitvoeringen waarbij zij zichzelf op de theorbe begeleidde. Baroni genoot pauselijke steun en was een bron van afgunst voor veel castrati.
Luigi Rossi werd beschouwd als een van de belangrijkste componisten van vocale muziek in de 17e eeuw en zijn cantates waren over heel Europa bekend. Na de dood van Urbanus VIII volgde hij diens neef, kardinaal Barberini naar diens ballingsoord Parijs. Rossi’s populariteit aan het Franse hof heeft tot de verspreiding van zijn werken bijgedragen. Zijn opera ‘Orfeo’ maakte er grote indruk en in 1646 ontving de Nederlandse diplomaat, dichter en luitist Constantijn Huygens een aantal aria’s van Rossi die zelfs hoopte naar Holland te kunnen komen (“…en ayant grande passion.”).
De schittering van Rome was in het Noorden doorgedrongen.
Achtergronden bij de gelezen teksten van Huygens en Hooft door Peter de Groot
Op 23-jarige leeftijd maakte Contantijn Huygens (1596-1687) de mooiste reis uit zijn leven. Vanuit Den Haag trok hij met een Staats gezantschap naar de machtige republiek Venetië. Onderweg in Duitsland zag hij steden als Keulen, Heidelberg, en Tübingen. Zwitserland bood hem de Rijnwaterval van Schaffhausen, uitzichten over de meren, en ontberingen bovenop de Alpen. In Italië bewonderde hij de antieke architectuur van Verona’s Arena en tevens het classicisme van het Palladio in Vicenza. en langs de Brenta. Venetië zelf bood hem drie weken lang een keur van bezienswaardigheden: het Arsenaal, de San Marco, het paleis van de Procuratiën, de bibliotheek van Sansovino. Verrukt luisterde hij naar Claudio Monteverdi, snuffelde hij rond in allerlei kunstverzamelingen en bezichtigde hij de glasblazers van Murano. Ook nam hij deel aan het publiek vertoon waarmee het gezantschap uit Nederland werd onthaald. Per gondel, aan de zijde van de senatoren van de lagunestad, voer hij onder luide toejuichingen en trompetgeschal door de stad. Hij bracht een bezoek aan de Senaat, was aanwezig bij de harangues van de Staatse ambassadeur Van Aerssen en sprak zelf in het Italiaans met de doge van Venetië.
De hele reis legde Huygens vast in een Franstalig journaal, waarin van dag tot dag verslag werd gedaan van grote en kleine belevenissen. Zestig jaar later beschreef de auteur de reis opnieuw, in zijn autobiografie. Die tweede versie vertoont lacunes, toevoegingen, accentverschuivingen en evidente verdraaiingen.
In 2003 verscheen bij Prometheus/Bert Bakker een nieuwe teksteditie met vertaling en commentaar van Constantijn Huygens’ Mijn leven, door classicus en neerlandicus Frans R.E. Blom, docent aan de universiteit van Amsterdam. Tegelijk verscheen het door Blom vertaalde en geannoteerde Journaal van de Reis naar Venetië van Huygens. Daaruit zijn de fragmenten ontnomen.
De vader van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-647), een geusgezind zeehandelaar en lid van de Amsterdamse vroedschap, stuurde zijn zoon op zijn 17e jaar op reis, opdat hij de relaties van zijn handelszaak zou leren kennen. In 1598 reisde Pieter naar La Rochelle. In 1599 was hij in Parijs, (waar hij de toen juist overleden beeldschone maîtresse van Henry IV, Gabriëlle d’Estrée op een praalbed opgebaard mocht zien) Lyon, Avignon, en Marseille vanwaar hij na lang wachten omdat “de Turk op zee was” naar Genua overstak. In Italië verbleef hij voornamelijk te Venetië, Rome en Florence. Voorjaar 1601 was hij terug in Amsterdam. Zijn Reis-heuchenis (in de Brieven) vermeldt het bezienswaardige. De rijmbrief Aen de Camer In Liefd' Bloeyende (gedagtekend te Florence 8 july 1600) is een beknopt reisjournaal voor eigen gebruik waarin de handel alleen beschreven wordt voor zover er sprake is van rijke winkelstraten. Het getuigt vooral van zijn bewondering voor de Latijnse en Italiaanse letterkunde en zijn vertrouwen in de kwaliteit van de leden van de rederijkerskamer en de toekomst van de Hollandse poëzie. Naar de allegorische mode van die tijd liet Hooft zich aan de oevers van de Arno toespreken door de schone maagd Italia die hem Virgilius, Cicero en Horatius, Petrarca en Dante voor de geest roept. Nergens gewaagt hij van prijzen, wissels of het fameuze Italiaanse (dubbele) boekhouden. Als hij op in het voorjaar 1601 over Duitsland en Friesland naar zijn ‘gewenst vaderland’ terugkeert blijkt vader Hooft dan ook verstandig genoeg om zijn zoon niet tot de handel te dwingen.
|