“Ob noch das Lied wie damals klingt?”
Hugo Distler en de Oude Muziek
 
Peter de Groot altus
Bas de Vroome orgel en clavecimbel
Hugo Distler (1908-1942) Kleines Konzert und Choral
űber “Vom Himmel hoch da komm’ ich her”
(1932/33)
Heinrich Schütz (1585-1672), Bringt her dem Herren (Ps.29:1-2) (SWV 283)
(1636)
Constantijn Huygens (1596-1687), Multi dicunt multi (Psalm 3)
Laetatus sum (Psalm 121)
(1647)
Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) Mein junges Leben hat ein End’
Arthur Honegger (1892-1955) Psaume 34 (vert : Théodore de Béze)
Psaume 138 (vert : Clément Marot)
(1941/42)
Lubos Sluka (1928) Renaissance Liederen/Písně renesanční
(1957)
1. Nebud tak pyšná – tekst: Angelo Poliziano
2. Srdce jste ne mně chtěla – tekst : Torquato Tasso
3. Co zbude z ní – tekst: Michelangelo Buonarotti
Hugo Distler Variationen “Wo Gott zu Haus nit gibt sein Gunst”
(1938)
Hugo Distler Drei Lieder nach Gedichten von Paul Brockhaus
(1931)
1. Dankbare Stunde
2. Gleichklang
3. Erinnerung
Paul Hindemith (1895-1963) Abendphantasie (tekst: Friedrich Hölderlin)
(1933)
Hans Friedrich Micheelsen (1902-1973) Präludium Op. 32
(1952)
Hans Friedrich Micheelsen Herr, wie sind deine Werke so gross (Psalm 104)
(1937)
HUGO Distler en de Oude Muziek
HUGO DISTLER bezocht als student in Leipzig vaak de Thomaskirche, waar werken van Lassus, Palestrina, Haßler, Gabrieli, Sweelinck, Praetorius, Schein, Schütz, Pachelbel, Buxtehude en Bach werden uitgevoerd. Distler was erg onder de indruk van de muziek van de oude meesters, maar luisterde ook met belangstelling naar de moderne muziek van het einde van de twintiger jaren, zoals “Le Roi David” van Fransman ARTHUR HONEGGER.
Ook Honegger hield van oude vormen en lustte Schönberg en zijn twaalftoonssysteem rauw. “De muziek moet rechtdoorzee zijn, eenvoudig, en van grote allure. Het publiek heeft lak aan technisch gepeuter.” zei hij. Honegger beschouwde J.S. Bach als zijn grootste leermeester, maar verwerkte in zijn composities zowel de stijlmiddelen van oudere meesters, als van Max Reger, Gabriel Fauré en Igor Stravinsky. Hij werd bovendien even geïnspireerd door het Gregoriaans en het protestantse kerklied als door de jazz.
Eenmaal kerkmusicus in Lübeck kreeg Distler te maken met een aldaar in 1930 ingestelde jaarlijkse traditie: de uitvoering van de Mattheuspassie van HEINRICH SCHÜTZ. Distler was erg onder de indruk van de muziek van Schütz en speelde tijdens de vespers veel orgelmuziek van oude meesters. Voor hem was de oriëntatie op oude muziek echter geen doel op zich is, maar een manier om nieuwe, eigentijdse muziek te kunnen scheppen.
In 1931 kocht Distler een klavecimbel en stortte zich op het bespelen van dit instrument dat onmiddellijk in de vespers werd ingezet. Geïnspireerd door Schütz scheef hij de “Geistliche Chormusik” opus 12, een verzameling a-capella motetten.
Eén van de professoren in Lübeck, de theoloog en filoloog Paul Brockhaus, zag onmiddellijk wat voor talent er in de tweeëntwintigjarige componist school. Hij stond de jongeman bij waar hij maar kon en nodigde hem uit een paar van zijn verzen voor huiselijk gebruik te toonzetten. Iets wat Distler dan ook dankbaar deed.
Werd Hugo Distler meer en meer een extraverte, sensibele kunstenaar, de zes jaar oudere HANS FRIEDRICH MICHEELSEN was vooral een didacticus en een pragmaticus, die de functionaliteit van de kerkmuziek voor ogen stond en liever eenvoudige gebruiksmuziek voor de eredienst componeerde dan een groots en avondvullend meesterwerk. Ook hij baseerde zich graag op het idioom en de vormen van de oude meesters en maakte veel bewerkingen van oude kerkliederen. In een voorwoord tot een van zijn bundels hield hij zijn collega’s echter voor dat zij hun kunsten van het componeren van liedzettingen niet té zeer op de oude melodieën uit de 16de en de 17e eeuw moeten loslaten, maar zich daarin moesten beperken, aangezien deze melodieën van zichzelf al zoveel kracht hebben. Een mooi, karakteristiek en veelzeggend compliment.
PAUL HINDEMITH werd wel de Bach van de 20e eeuw genoemd, een benaming die niet zozeer sloeg op zijn kwaliteit als wel op een aantal punten die hij met zijn grote voorganger uit de Barok gemeen had. In de eerste plaats moet dan zijn ambachtelijke kijk op het componeren genoemd worden. Ook in zijn voorliefde voor het gebruik van formele structuren als fuga's en canons met allerlei ingebouwde listigheden zoals omkeringen en kreeftgangen leek hij op Bach. Door zijn intensieve studie van oude muziek, met name van de Renaissance, werd de polyfonie in zijn werk steeds belangrijker. Hij verzette zich steeds meer tegen de atonale muziek van Schönberg. In zijn muziektheoretische hoofdwerk, "Het ambacht van het componeren", beklemtoonde hij het belang van de tonaliteit. De muziek van Hindemith klinkt daarom wel modern, maar is nooit stuurloos of onbegrijpelijk. Na 1930 had de componist zijn definitieve stijl gevonden: geënt op de formele structuren van de oude muziek, gekruid met moderne harmonie.
|